George Whitefield (1714 – 1770)

George Whitefield en The Great Awakening

Een tijdgenoot van John en Charles Wesley was Georges Whitefield, geboren op 27 december 1714 in Gloucester, Engeland. Zijn moeder was een weduwe die het gezin onderhield door het runnen van een herberg. Op jonge leeftijd ontwikkelde Whitefield een belangstelling voor acteren en theater, een talent dat ook zou gaan blijken in zijn preken en het uitbeeldden van Bijbelverhalen. George Whitefield studeerde aan de Crypt School in Gloucester en later aan Pembroke College in Oxford. In zijn latere opvattingen verwierp hij het theater, maar de vaardigheden die hij als jongere zich eigen maakten droegen bij aan zijn wijze van geloofsverkondiging en evangelieverspreiding.

Holy Club

Evenals de gebroeders Wesley kwam Whitefield te studeren in Oxford, aan het Pembroke College. Waar hij lid werd van de ‘Holy Club’ onder leiding van de gebroeders Wesley. De leden van de  ‘Heilige Club’ verdiepten zich in de Bijbel, wijdden zich aan gebed en gaven aandacht aan christelijke naastenliefde. Onder invloed van de ‘Holy Club’ beleefde Whitfield een geestelijke ‘wedergeboorte’ en besloot hij missionaris te worden. Hij zou vanuit de Anglicaanse kerk naar de Engelse kolonie Georgia gaan in de ‘Nieuwe Wereld’ Amerika. Aangezien zijn afreizen naar Amerika vertraging opliep werd Whitefield voorlopig tot diaken gewijd in de Anglicaanse kerk in Londen, waar zijn prediking begon.

Charismatisch en verhalend

Whitefields preken waren anders dan men gewend was. Hij beeldde de Bijbelse figuren uit in herkenbare menselijkheid in het alledaagse leven. Hij huilde, hij danste, hij riep, hij juichte. Alle menselijke emoties bracht hij op de kansel tot uitdrukking. David Garrick, destijds een beroemd toneelspeler zou gezegd hebben: ‘Ik zou er een vermogen voor over hebben als ik “oh” kon zeggen zoals mister Whitefield.’

Er wordt verteld dat Whitefield eens predikte over de eeuwigheid. Plotseling onderbrak hij zijn boodschap, keek om zich heen en riep uit: ‘Hoor! Ik denk dat ik de heiligen hun eeuwige halleluja’s hoor zingen! Zij wekken ons verlangen om een eeuwige dag door te brengen, onder de galmen van triomfantelijke liederen vol van vreugde. Zij roepen ons op om één met hen te zijn, mijn broeders en zusters, om lid te worden van dat hemelse koor!’

Na de genoemde vertraging reisde Whitefield af naar de Amerikaanse staat Georgia, maar al na drie maanden werd hij door de Anglicaanse kerk teruggeroepen. Om bij zijn terugkeer in Londen te ondervinden dat tal van Anglicaanse kerken niet openstonden voor Whitefields onconventionele preekstijl. Waarop Whitfield zich toe ging leggen, naar verluidt aangemoedigd door de gebroeders Wesley om tot geloofsverkondiging in de openlucht over te gaan, zoals op pleinen en in open velden, vrij van opgelegde doctrine of preekstijl.

Openlucht prediking

Maar het overzeese Amerika bleef trekken aan Whitfield. In 1739 vertrok hij Whitefield voor een preektocht door de Amerikaanse koloniën. Whitefield koos voor Philadelphia – de meest kosmopolitische stad in de Nieuwe Wereld – als het beginpunt van zijn rondreis. Waar zelfs de grotere kerken de toegestroomde menigten niet konden bevatten. Daarom verkoos hij ook daar tot prediken in de open lucht. Steeds weer werd Whitefields reis gekenmerkt door grote belangstelling, de opkomsten bij de campagnes konden groter zijn dan het aantal inwoners van een plaats, tot verbazing van Whitefield zelf. Van de menigten wordt verteld dat deze zich verdrongen om Whitfield te horen prediken, maar dat deze ook in diepe stilte verzonken kon zijn. ‘Zelfs in Londen,’ merkte Whitefield op, ‘heb ik nog nooit zo’n diepe stilte waargenomen.’ 

Bekering tot God

Hoewel aangemoedigd door John en Charles Wesley vooral door te gaan zette Whitefield zijn eigen theologische koers uit: Whitfield volgde de theologische opvattingen van Gomarus en Calvijn: dat de gave van de genade, aan God is. De Wesley’s daarentegen sloten meer aan bij de opvatting van Arminius: de mens aan wie de vrije keuze is Gods genade al dan niet te aanvaarden. Ondanks theologische verschillen bleef er vriendschap tussen Whitefield en de gebroeders Wesley.  Whitefields hoofdthema was de ‘afkeer van de wereld’ en de noodzaak van de ‘bekering tot God’ en het leiden van christelijke levenswandel in afhankelijkheid van God. Hij smeekte de mensen niet om zich te bekeren, maar verkondigde op dramatische wijze zijn boodschap.

Prediking tot het hart

De vrouw van Jonathan Edwards, eveneens een rondtrekkende prediker, Sarah Edwards zou hebben opgemerkt: ‘George Whitfield laat zich niet leiden door de doctrines zoals menig Amerikaanse prediker dat doet, maar Whitfield is gericht op het beïnvloeden van het hart. Hij is een geboren redenaar. Ik weet dat een bevooroordeeld persoon zou kunnen zeggen dat dit allemaal theatrale kunstgrepen zijn en uiterlijk vertoon, maar wie hem gezien en gekend heeft zal dat niet zeggen’.

Afro-Amerikaans christendom

Ook aan de inheemse bevolking en aan de slavengemeenschap ging de prediking van Whitefield en de ‘Great Awakening’ niet voorbij. De respons was zo groot dat historici de invloed van George Whitefield dateren als het ontstaan ​​van het Afro-Amerikaanse christendom. De geestelijke opwekking die hij ontstak werd een van de meest vormende gebeurtenissen in de Amerikaanse (kerk)geschiedenis. Zijn laatste preek over deze tour werd gegeven in Boston Commons voor 23.000 mensen, waarschijnlijk de grootste bijeenkomst in de Amerikaanse geschiedenis tot op dat moment.

Opwekking in Schotland

Whitefield richtte naast Amerika ook zijn aandacht op de steden en mijnwerkers van Schotland, waar hij in zijn leven veertien bezoeken zou brengen. Zijn meest dramatische bezoek was zijn tweede, toen hij het kleine stadje Cambuslang bezocht, dat al een opleving onderging. Zijn avonddienst trok duizenden en duurde tot 2:00 uur ’s nachts. ‘Er waren taferelen van onbeheersbare nood, zoals een slagveld. De hele nacht in de velden kon de stem van gebed en lof worden gehoord.’ Whitefield concludeerde: ‘Het overtrof alles wat ik ooit in Amerika heb gezien.’

Opwekking onder kerkmensen

In overleg met de plaatselijke voorgangers predikte Whitefield op de zaterdagen met opkomsten van naar schatting twintigduizend mensen in bijeenkomsten die tot diep in de nacht konden duren. De volgende zondagochtend stroomden meer dan zeventienhonderd kerkgangers langs de lange communietafels die in tenten waren opgesteld. ‘Overal in de stad,’ herinnerde hij zich, ‘hoorde je mensen bidden en God loven.’ Met elke reis over de Atlantische Oceaan werd Whitefield meer bekend en gewaardeerd, zowel in Engeland als in Amerika. De bedenkingen aangaande de overmatige bevlogenheid van zowel Whitefield als van zijn aanhang werden meer en meer erkend als gemeend en oprecht.

Privé-leven

De levenslange successen van Whitefield op de preekstoel vormden een contrast met zijn gezinsleven. Zoals voor veel rondreizende  mensen in die tijd was een huwelijks- en gezinsleven niet aan George Whitfield besteed. Ook zou Whitfield gevonden hebben dat een huwelijk een hindernis van zijn roeping en passie zou kunnen zijn. Echter trouwde hij op zeker moment met Elizabeth James, een wat oudere weduwe. Maar deze relatie zou naar verluidt nooit zijn gegroeid tot een innige relatie. Wanneer Whitefield kwam om te prediken zocht hij ook naar financiële ondersteuning voor het weeshuis dat hij had opgericht in Georgia tijdens zijn verblijf daar in 1738. Het weeshuis dat hij had opgericht had voortdurend gebrek aan geldelijke middelen waarvoor Whitefield zich verantwoordelijk voor wist.

‘Liever verslijten dan verroesten’

In 1770 zette Whitfield zijn predikingstocht in de Amerikaanse koloniën voort alsof hij nog een jonge rondreizende prediker was. Terwijl zijn naasten erop aandrongen zichzelf in toom te houden zou hij hebben gezegd ‘Liever te verslijten dan te verroesten’, de symptomen van een kwetsbare gezondheid negerend, in het bijzonder de astmatische ‘verkoudheden’ die ‘grote moeilijkheden’ met ademhalen veroorzaakten. Zijn laatste preek vond plaats in de velden, bovenop een grote ton. George Whitefield overleed op 55-jarige leeftijd in de pastorie van de Old South Presbyterian Church te Newburyport op 55-jarige leeftijd, en ligt begraven in Amerika, in de Old South Presbyterian Church te Newburyport.

Om over na te denken:

’Ik ben niets, heb niets
en kan niets doen zonder God.
Want alhoewel ik de verschijning heb
van een gepolijste grafzerk,
van binnen ben ik vol trots,
eigenliefde en allerlei corruptie.
Maar door Gods genade ben ik wat ik ben,
en ik bid God of Hij mij een instrument
wil laten zijn om goed te doen,
niet om mijn eigen ik,
maar voor Hem,
aan Hem zij alle eer.’

John Wesley tells of a dream he had.
In the dream, he was ushered to the gates of Hell.
There he asked, “Are there any Presbyterians here?”
“Yes!”, came the answer.
Then he asked, “Are there any Baptists?
Any Episcopalians? Any Methodists?”
The answer was Yes! Each time.

Much distressed, Wesley was then ushered
to the gates of Heaven.
There he asked the same question,
and the answer was No! “No?”
To this, Wesley asked, “Who then is inside?”
The answer came back, “There are only Christians here.”’

George Whitfield

Meer over Methodisme

Abonneren