Lucas 10 vers 25 – 38 • Vrijgevig

Lucas 10 : 25 – 38 en Efeziërs 2:1-10 en 19&20

Het verhaal van de Barmhartig Samaritaan. Een gelijkenis door Jezus van Nazareth verteld om duidelijk te maken waarom het gaat bij omzien naar je naaste. En waar het op aankomt in het grote gebod, het God liefhebben bovenal en je naaste als jezelf. De Bijbelse richtlijnen voor geloof en leven.

Om het verhaal van de Barmhartige Samaritaan nog maar eens naar voren te halen: er is een mens die op weg gaat van Jeruzalem naar Jericho. Voor de godsdienstige verstaander is dat iemand die of in Jeruzalem, de heilige stad is geweest om geloof te beleven, zoals het gaan naar de tempel, om daar te bidden, te zingen, danken te offeren, samen met andere gelovigen of met God alleen; er zijn zoveel manieren om geloof te vinden of te beleven …

Of het is iemand die juist Jeruzalem de rug heeft toegekeerd, dat ‘Jeruzalem’ met al dat vrome en heilige gedoe voor diegenen niet meer zo hoeft, zeggende; laat mij mijn leven maar leiden op eigen manier, zoals in Jericho waar de mensen gewoon hun dagelijks leven leven, zonder al teveel gedoe. Jezus vertelt een verhaal van iemand die reisde van Jeruzalem naar Jericho. Van Jeruzalem afkwam staat er in de Statenvertaling. In de Naardense Vertaling staat dat de man afdaalde, de diepte in, Jeruzalem de rug toegekeerd, letterlijk en figuurlijk, het is maar hoe je het leest.

Maar Jezus vertelt een verhaal waarin juist deze mens overvallen wordt door rovers, overvallen uit het niets, beroofd van zijn hele hebben en houden, de kleren van het lijf gerukt aangerand en mishandeld om daarna voor halfdood achtergelaten te laten zijn. Hulpeloos langs de kant van de weg. Het lijkt wel of Jezus een scène vertelt uit Opsporing Verzocht, waar de hulp van het publiek wordt ingeroepen om de daders van het misdrijf te achterhalen.

Maar Jezus zoomt niet in op de daders, om te achterhalen wie het waren, om hen voor het gerecht te slepen; maar Jezus zoomt in op de voorbijgangers. Die er op zich niets mee te maken hebben, maar die wel van betekenis worden in het verhaal. Jezus vertelt van een priester die voorbij gaat, iemand met het ambt om tussen God en mensen in te staan, een bemiddelaar tussen God en mensen, een geestelijke, een aards en hemels sleutelfiguur ineen, een engelenbewaarder. Wat mensen op hun hart dragen dat brengt hij bij God, en wat God de mensen wil laten weten, dat draagt de hij over aan de mensen.

Maar wat heeft de priester nog te zeggen aan een afgeschreven mens? Kan hij er wat aan doen, aan al dat geweld en onrecht in de wereld? En kan hij zich niet beter richten tot wie nog wel in het volle leven staan? Aan geloof nog iets hebben? Zoals de mensen voor wie Jeruzalem nog telt? Nog volop in het leven staan? De priester kiest de omweg, gaat er met een boog omheen, om het leed op zijn weg. Misschien ook wel uit onmacht. Wat kan hij er nog aan doen?

En het verhaal gaat verder met de vrome Leviet, een voorbeeldig mens in het verhaal van Jezus, die van geboorte en afkomst af van huis uit heeft meegekregen een vrome heilige te zijn, een voorbeeldige gelovige tot heil van het volk. Maar in het verhaal gaat ook deze beste man met een boog om het slachtoffer heen. De goede man heeft van huis uit meegekregen dat de wereld je bezoedeld, dat je niet in aanraking moet komen met bloed, met naaktheid, met wie op sterven na dood is.Dat het beter is om alle ellende van de wereld verre van je te houden, zo behoud je een heilig leven, is hem geleerd.

Maar dan komt er een Samaritaan in beeld. Op de landkaart gezien iemand uit het noorden van Israël, een beetje van het heuvelachtige platteland waar het leven gewoonlijk zijn gangetje gaat. Maar in de dagen van Jezus waren de Samaritanen een gemengd volkje. Een beetje een mengelmoes van diverse culturen. Voor de ware Israëlieten moest je in Jeruzalem en in Juda zijn, daar waren de mensen die hun eigenheid hadden behouden, zich niet in hadden gelaten met vreemde culturen. Maar in de dagen van Jezus werd neergekeken op de Samaritanen, door de loop van de geschiedenis werden zij niet helemaal zuiver meer bevonden.

Maar Jezus vertelt het verhaal waarin juist een Samaritaan omzag naar een gedupeerde in de goot. Als het ware de spiegel voorhoudend dat je wel je oordeel klaar kunt hebben en een vooroordeel kunt koesteren, zo van ‘kan er uit Samaria wat goed komen?’ Maar Jezus zegt van wel, ook uit van wie jij het niet verwacht!

En wat doet dan deze Samaritaan? Hij verzorgt zijn medemens en laat zijn medemens verzorgen. En waarom doet deze Samaritaan dat? Omdat hij medelijden heeft met een gedupeerde. Met erbarmende bewogen, de Samaritaan krijgt buikpijn bij het zien van menselijk leed en lijden, het doet hem wat. De Samaritaan haalt helende olie en zuiverende wijn voor de dag en neemt een medemens mee op zijn rijdier, de Samaritaan maakt letterlijk en figuurlijk plaats voor zijn naaste. Onderbreekt zijn reis, zet zijn eigen plannen opzij en gaat naar een logement, creëert een onderkomen, een hospitaal, betoont gastvrijheid naar het voorbeeld van Abraham. Abraham die ook op het heetst van de dag aan vreemdelingen onderdak gaf.

De Samaritaan in het verhaal van Jezus, een Samaritaan wiens komaf als bedenkelijk werd beschouwd, maar die zorg verleend en overdraagt aan de herbergier, die een voorschot ontvangt van twee denarie, de herbergier die twee daglonen vooruit ontvangt om zorg te verlenen. Maar mocht het niet genoeg zijn, had de Samaritaanse weldoener nog gezegd, op mijn terugreis zal ik het goedmaken, geloof me maar, vertrouw me maar, de rekening zal worden betaald, vereffend en vergoed …

De herbergier. Op het eerste gehoor lijkt de herbergier een bijrol te vervullen in het verhaal. Van de priester en de Leviet en de Samaritaan en het slachtoffer weten we van alles te vertellen en te bedenken. In eigentijdse vertellingen komen de priester en de Leviet voorbij als de dominee en de pastoor en de geestelijk verzorger. Als de ouderling en de diaken en de heilssoldaat. En van mensen met het bedenkelijke imago van een Samaritaan, daar kunnen we ook alle kanten mee uit. Vul zelf maar in …

Maar de herbergier, ogenschijnlijk blijft zijn rol beperkt tot die van een dagloner. Met twee denarie als voorschot, een denarie, in de dagen van Jezus kon je er een dag van leven. En de herbergier van wie vertrouwen wordt gevraagd: tot hem werd door de Samaritaan gezegd: het voorschot dat heb je al in kas, maar je kunt me vertrouwen als ik zeg dat ik op mijn terugreis opnieuw langs zal komen. En mocht je tekort hebben geleden, dan hoor ik het graag. Een verhaal van vertrouwen. Heeft dit ons iets te zeggen?

Ik denk het wel. Want aan ons korps, aan de beweging waar we deel van uitmaken worden in goed vertrouwen vele dingen gegeven. In overvloed! Soms zelfs teveel! De samenleving geeft ons giften, grote sommen geld. De mensen geven ons vrachtladingen kleding en textiel in de verwachting dat wij daar goed mee doen. Er zijn winkeliers die ons brood geven om dat te verdelen. Meer dan genoeg! Overvloed! Met ook de keerzijde, dat wanneer wij ons ‘werk’ niet goed doen, dan worden we daarop afgerekend! Want de opdracht en de verwachting is ‘goed doen!’

Wij zijn als het ware vergelijkbaar met de herbergier in het door Jezus vertelde verhaal! Mensen met de opdracht, de beeldvorming, de verwachting om goed te doen, met wat ons is toebedeeld en toevertrouwd! Van gelovige mensen mag je wat verwachten! Dat zij goed en eerlijk en betrouwbaar zijn. Medemenselijkheid en naastenliefde betonen.

Maar dat is mensenwerk, want er is een nog veel groter verhaal! Want God, de Schepper en Bestuurder en Onderhouder van alle dingen heeft ons nog veel meer toevertrouwd! Hij heeft aan de mens het leven gegeven. Levensadem in de neus geblazen (naar Genesis 2) zodat wij naar lichaam en geest levende wezens zouden zijn, mannelijk en vrouwelijk naar Zijn beeld en Zijn ideaal. Hij heeft ons menselijk lichaam geschapen en de aarde en alle gewassen en dieren toevertrouwd en dacht al aan ons voor wij het levenslicht zagen (naar Psalm 8 en Psalm 139).

Voedsel om dagelijks van te leven, de aarde brengt genoeg op om van te leven, het ‘dagloon’ voor alle dagen door God ons gegeven, toevertrouwd in goed vertrouwen. Meer dan genoeg! Overvloed! Kracht voor vandaag en vertrouwen voor morgen. God heeft het de mens meegegeven om lief te hebben, hoop te houden, geloof te bewaren. Met alle gaven en talenten!

De apostel Paulus noemt zelfs dat gelovigen in Jezus ‘het voorschot op de eeuwige erfenis hebben ontvangen. Hij heeft ons gemaakt tot wie wij zijn: herboren mensen in Jezus Christus, geschapen de weg te gaan die God heeft bereid, de weg van het goede doen! Met het eeuwige leven in het vooruitzicht!’ (naar Efeziers 1:14 en 2:4-7)

Dat is de weg van God! In Zijn Naam zijn als de ‘herbergier’, als de ‘dagloner’ die te verwachten hebben dat de Heer op Zijn terugreis aan zal kloppen met de vraag ‘hoe is het gegaan met het liefhebben van Mij en het liefhebben van je naaste, en met wat ik jou gegeven heb, had je daaraan genoeg of kwam je tekort …?

Mogen wij dan zijn als de herbergier in het verhaal, de gelijkenis door Jezus van Nazareth verteld. Dat wij mogen zijn als mensen die in goed vertrouwen doen wat ons hand vindt om te doen. Met het hart op de goede plaats en onze handen uit de mouwen. Uitgestrekt naar wie er komen moge op onze weg. Vrijgevig vanuit al wat van God is ontvangen. Want alles is en komt van Hem. Ook het geloof van waaruit wij leven. Alles is genade. Alles is uit Hem. En alles komt Hem toe. Mogen wij vrijgevig zijn om Hem. In Jezus’ Naam.
Amen

Dit bericht heeft één reactie

Geef een antwoord

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Abonneren