Marcus 10 vers 47 – 52 • Mijn Leraar


Marcus 10:47-52 en Psalm 103:1-13

Algemeen wordt aangenomen dat wij mensen vijf zintuigen hebben meegekregen. Te weten zien en horen, ruiken en proeven en voelen. En die vijf zintuigen maken het leven aangenaam, werken mee om ons lichaam goed te laten functioneren en waarschuwen ook bij gevaar.

Neem bijvoorbeeld het zintuig van het ruiken. Wanneer bij het bereiden van de maaltijd wij de geuren uit de keuken ruiken, dan komt onze spijsvertering al op gang. ‘Het water loopt ons door de mond’ zeggen we dan. Waarbij het speeksel bijdraagt aan het verteren van ons voedsel. Maar wanneer voedsel niet fris ruikt is dat een waarschuwing: eet dit niet, van dit voedsel wordt je ziek.

En een ander voorbeeld is het zintuig van het horen. Wanneer we naar muziek luisteren beïnvloed muziek onze stemming. Vrolijke muziek kan ons laten bewegen, ingetogen muziek laat ons aandachtig luisteren, triomfantelijke muziek brengt in de roes van de overwinning. Muziek maakt herinneringen los, via de wegen van het gehoor. En als je kunt horen, dan kun je ook communiceren. Als je kunt horen en kunt luisteren, dan kun je ook reageren, door te gaan antwoorden of mee te zingen of spelen. In het juiste ritme, het gelijke tempo, in de maat, en op de goede toonhoogte en het juiste volume.

Want bij moeilijk horen kan je van alles ontgaan en langs je heen gaan, kunnen er misverstanden ontstaan, kun je buitengesloten raken. Dan begrijp je de gesprekken niet en je kunt niet meepraten. Je hoort het goede, maar ook het gevaar niet aankomen, zoals dat van dreigend onweer of het dagelijks verkeer. Kunnen horen beschermt en waarschuwt, kunnen horen doet ertoe om erbij te horen, letterlijk en figuurlijk.

En zo had Bartimeüs in het Bijbelverhaal waar we bij stil staan een probleem. Bartimeüs kon niet zien. En nu wordt wel verteld, dat wanneer één van de zintuigen minder worden, dat dan andere zintuigen zich sterker zouden ontwikkelen. Maar Bartimeüs was dus iemand die aangewezen was op de zintuigen van horen, ruiken, proeven en voelen. Het ‘eerst zien en dan geloven’ stond bij Bartimeüs in een ander licht en teken. Hij moest het hebben van horen zeggen. Bartimeüs ‘hoorde’ dat Jezus van Nazareth voorbij kwam.

En dan staat er dat toen Bartimeüs ‘hoorde’ dat Jezus uit Nazareth voorbijkwam, dat Bartimeüs begon te schreeuwen. Schreeuwen om gehoord te worden! Maar typerend is ook dat er staat ‘Jezus uit Nazareth’. Ja, Nazareth in Galilea was het plaatsje waar Jezus vandaan kwam. (Marcus 1:9 Lucas1:26) Nazareth in Galilea, een klein dorpje. Zo onbeduidend dat er zelfs een gezegde uit is voortgekomen: ‘Kan er uit Nazareth iets goeds komen?’ (Johannes 1:46) want Nazareth doet er niet toe, daar hoef je niets bijzonders van te verwachten.

Maar de blinde Bartimeüs ‘ziet’ het blijkbaar anders. In de volksmond is het ‘Jezus van Nazareth’ maar uit de mond van Bartimeüs klinkt Jezus, Zoon van David. Koningskind Jezus. Aangevuld met een hulpvraag ‘heb medelijden met mij’. Nee, geen schreeuw om aandacht, maar een schreeuw om medelijden! Een wanhoopskreet en een eerbetuiging tegelijk. Bartimeüs zoekt het hogerop en in de diepte, bij Davids Zoon, lang verwacht, de Messiaanse Koning. De blinde Bartimeüs die vraagt om ‘gehoord’ en om ‘gezien’ te worden. Schreeuwt erom dat Jezus, de Zoon van David met Hem ‘meevoelt’. Opnieuw een zintuig, het ‘voelen’! Bartimeüs schreeuwt om medelijden. Aan het adres van Jezus, de Zoon van David!

Waarop prompt gebeurd wat Bartimeüs’ leefwereld zo inperkt. Dat hij niet kan zien, dat is één. Maar nu moet hij ook nog eens zijn mond houden. Dat er mensen zijn die achter Jezus van Nazareth aanlopen, uit dat nietszeggende plaatsje, dat is één. Maar dat je gaat roepen dat Jezus de zoon van David, een koningszoon is, kom daar nu niet mee aan. Maak Hem nu niet groter dan Hij is, ga dat nu niet van de daken en over straat lopen schreeuwen. Het is alsof tegen Bartimeüs wordt gezegd: ‘hou je in en hou je gedeisd, omwille van de rust en kalmte, wees geen oproerkraaier en stook niet op’. Want zo was het in de dagen van Jezus, er was een ‘gedoogbeleid’, de Romeinen ‘gedoogden’ wat de mensen geloofden, tot op zekere hoogte, houd je gedeisd …

Maar dan komt Jezus zelf aan het woord. Jezus die Bartimeüs ziet en hoort en die tot de mensen zegt: ‘roep hem’. Jezus buigt de situatie om, om te beginnen bij de mensen die het zwijgen op leggen. Juist daar waar gezegd wordt dat Bartimeüs er niet toe doet, daar zegt Jezus dat de mensen Bartimeüs erbij moeten roepen. Bartimeüs niet buitensluiten, maar juist opnemen in Jezus’ kring en nabijheid. Dat zijn Jezus’ woorden.

En dan blijft het de vraag wie het zijn die gaan zeggen ‘Houd moed, Jezus roept u’. Het zouden de mensen kunnen zijn die Jezus van Nazareth al volgen, misschien ook al een geloof in zich meedragen dat Jezus van Nazareth een Koningszoon is, de beloofde Messiaanse Koning bij wie een nieuwe tijd begint, met datzelfde geloof dat ook al in Bartimeüs leeft.

Maar de mensen die zeggen gaan ‘Houd moed, Hij roept u’, ja, mensen kunnen omslaan als een blad aan de boom, als het de mensen zijn die eerst het zwijgen oplegden, dan is er sprake van een bliksembekering, als donderslag bij heldere hemel bekeerd, omgekeerd, zoals ook een Paulus bekeerd werd, een verblindend licht uit de hemel dat zijn ogen opende, van tegenspraak tot getuigen, ‘Houd moed, uit Nazareth is iets goeds gekomen, Jezus de Zoon van David roept u’ en wij dragen bij deze die boodschap uit!

Ja, de hulpvraag van Bartimeüs was duidelijk. Bartimeüs die met geloofsogen al zag dat van de Here Jezus alle goeds is te verwachten, de hulpvraag van Bartimeüs was ‘zorg dat ik weer kan zien’. Zowel zien met de ogen van geloof, maar ook zien in het alledaagse leven. En dan vanuit onze blik verder ingekleurd: Zodat ik de mensen om mij heen kan zien, hoe ze lachen en huilen en zijn, de schoonheid van de mensen en van uw schepping.

Zodat ik kan zien wat mijn handen dagelijks vinden om te doen en dat ik zie waar mijn voeten gaan en waarnaartoe mijn leven wordt geleid. Zodat zie overeenkomt met wat ik hoor. En zodat ik het dagelijks brood niet alleen ruik en voel en proef maar ook zie, om te zien wat ik eet. Zodat ik niet meer hoef te tasten in het duister of hoef te raden naar de opbrengsten van mijn bedelen, maar dat mijn ogen geopend zullen zijn voor wat ik heb te geven en wat ik mag ontvangen.

Ergens las ik het volgende verhaal. Over een meisje in een blindeninstituut. Waar het brailleschrift leerde om op de tast te kunnen lezen en wandelen op straat en nog veel meer. En een begeleidster van het meisje beloofde dat het meisje eenmaal in de hemel wel zou kunnen zien. Waarop het meisje antwoordde: ik denk dat het in de hemel heel anders is. Straks in de hemel zal ik echt gezien zijn. Gaat niemand meer ontwijkend om mij heen. Straks in de hemel denkt niemand meer ‘kijk uit’ voor dat meisje …!

Jezus vroeg aan Bartimeüs: ‘Wat wilt u dat ik voor u doe?’ En Bartimeüs gaf aan Jezus zijn eigen antwoord. Noemde Jezus ‘Rabboeni’, daar klinkt het woord ‘rabbijn’ in door, wat zeggen wil: Leraar, Leermeester, of zelfs ‘Mijn Leermeester’. ‘Rabboeni’ is een Aramees woord, staat voor een eretitel van leerlingen jegens hun Leermeester. Zoals ook Maria van Magdala de Opgestane Heer het woord ‘Rabboeni’ gebruikte, Maria die door haar tranen van rouw de Heer niet kon zien. Verdriet had haar blikveld vertroebeld. (Johannes 20:16) Maria van Magdala die bij het graf was, waar het nog donker was. Wel de weggerolde steen zien, maar niet de Levende Heer. Maar het ging zeggen toen de Levende Heer haar naam noemde, en Jezus’ woorden landden in haar hart en leven: ‘Rabboeni’! Zoals ook de ogen van de Emmaüsgangers werden geopend bij het breken van het brood. (Lucas 24:30) Een blik van herkenning!

Jezus vroeg aan Bartimeüs: ‘Wat wilt u dat Ik voor u doe’. Dezelfde vraag die Jezus een paar verzen eerder stelde aan Jakobus en Johannes die wat wilden vragen: ‘Wat wilt u dat Ik voor jullie doe?’ Wat zal ons antwoord zijn, wanneer Jezus van Nazareth, Jezus de zoon van David, Jezus de Levende Heer opgestaan uit het graf ons vraagt: ‘Wat wilt u, wat wil jij, wat willen jullie dat Ik voor u, voor jou, voor jullie doe?’

Wat zal ons antwoord dan zijn? Mogelijk dat ons antwoord dan zal zijn, dat onze ogen nog meer geopend zullen worden voor Jezus. Voor wie Hij ten diepste is. Wie wij ten diepste zijn in het licht van God. Wat zal ons antwoord zijn? Wanneer de Leraar aan ons vraagt: ‘Wat weet jij van wat Ik voor jou heb gedaan?’
Amen

Dit bericht heeft één reactie

Geef een antwoord

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Abonneren