Marcus 6 vers 1 – 6a • Op weg gegaan

Marcus 6:1 – 6a en Jeremia 29:1-7

Het lijkt wel of in de Bijbelverhalen mensen voortdurend onderweg zijn. Alsof Bijbelverhalen niet toestaan dat mensen zich vestigen op een vaste plaats. Ga maar eens na: Adam en Eva moesten het paradijs verlaten, ze mochten niet in de Hof van Eden blijven. De torenbouwers van Babel wilden bij elkaar gaan klonteren, met elkaar op een kluitje gaan zitten, dat was hun hemel op aarde, maar God verspreidde de mensen uit over de aarde, met ieder een eigen taal. Noach, hij moest een drijvende ark gaan bouwen, en moest maar zien waar hij uit zou gaan komen. Abraham moest zijn land en familie en zijn zijn naaste verwanten verlaten om geleid te worden naar een het land op aanwijzing van de HEER; Zijn kleinzoon Jozef Jozef zat in de put en kwam in Egypte terecht, waarop Mozes de nakomelingen van Abraham en Jakob en Jozef weer uit Egypte moest gaan halen, wederom op weg naar het land van melk en honing op aanwijzing van de HEER.

Gedreven en uitgezonden

En telkens weer laat God het er niet bij zitten, voortdurend brengt God mensen in beweging om te redden wat er te redden valt, en om ten goede te keren. Mozes die veertig jaar lang onderweg was door de woestijn, met een volk bevrijdt uit Egypte. Met bij zich de Tabernakel, de Ontmoetingstent, een tijdelijk onderkomen. Jona die de inwoners van Ninevé moest gaan zeggen dat ze niet goed bezig waren. De hemel huilde om wat de mensen in Ninevé deden. Jona ging onderweg, ook al koos hij eerst een vluchtweg. En ook in het Nieuwe Testament blijft het zich herhalen, zoals Jozef en Maria die van Nazareth naar Bethlehem moesten gaan, en daarna de wijk nemen, ook alweer naar Egypte. Een vaste woon- en verblijfplaats blijkt er ook in het leven van Jezus niet te zijn, een gepasseerd station, ‘de vossen hebben holen en de vogels hebben nesten, maar de Mensenzoon heeft nog geen steen om het hoofd op te laten rusten’ zei Jezus. Maar zo gaat wel het Evangelie gaat de wereld door, gedragen door mensen die zich gedreven weten en uitgezonden worden, zoals Paulus en zijn zendingsreizen.

Levensreis

Er wordt wel gezegd dat het hele leven een reis is. Een ‘levensreis’ waarin we voortdurend in andere levensfasen belanden, in andere tijden aankomen  en op verschillende plaatsen. Zo is het als je jong bent, dat je vooral vooruit kijkt, als je jong bent maak je plannen en heb je verwachtingen van de toekomst, dan heb je idealen van wat je wilt bereiken. Maar eenmaal op leeftijd blik je meer terug en leef je meer bij de dag, denk je na over hoe het leven gelopen is en staat het leven in het teken van verwerken en berusten, leef je meer vanuit de herinnering. Zoals de apostel Paulus schrijft: ‘Toen ik een kind was sprak ik als een kind, dacht ik als een kind, redeneerde ik als een kind. Nu ik volwassen ben geworden heb ik het kinderlijke achter me gelaten’ (1 Korintiërs 13:11)

En over ‘levensreizen’ gesproken, de tijden veranderen, en daarmee is niet alles meer zoals vroeger, het leven veranderd. Nog niet zo heel lang geleden verhuisden hele gezinnen mee met het werk, bijvoorbeeld wanneer vader in dienst was bij de overheid, zoals bij defensie of bij de spoorwegen of bij de post. Als vader werk vond in een ander deel van het land, dan verhuisden hele gezinnen mee naar een andere stad, dan gingen de kinderen naar een andere school, en gelovige gezinnen naar een andere kerk. In de huidige tijd werken partners en vaders en moeders soms wereldwijd van huis uit. Gewoon met een beeldschermpje voor je reis je de hele wereld rond, kom je allerlei mensen, filmpjes, muziek, ideeën, prestaties tegen, zomaar in de schoot geworpen. Ook dat ontmoeten we bij de apostel Paulus. Die kwam op één van zijn reizen aan in Athene, een stad vol godenbeelden, een stad vol filosofen van allerlei pluimage, een stad vol Joodse en ook Griekse gelovigen, mensen die voortdurend de nieuwste ideeën uitwisselden. Waarin Paulus zich een ‘gelovige weg’ moest banen. (Handelingen 17:16-21)

Aan de rivieren van Babylon

Denk dan aan het verhaal van Jeremia! Daar waren de kinderen van God in een vreemde omgeving terecht gekomen. Geen andere keus, ze moesten wel, in Jeruzalem hadden ze een goed leven, in hun vaderland maakten ze deel uit van het stadsbestuur, waren ze ondernemers, behoorden ze tot de tempeldienst. Maar juist vanwege hun naam, hun afkomst, hun positie waren deze mensen het land uitgevoerd, om terecht te komen in Babel. Mensen met heimwee die langs rivieren van Babylon treurden dat ze naar huis wilden, kinderen van God die de lieren aan de wilgen hadden gehangen, geen lust meer om te zingen, verlangende naar het goede leven in Jeruzalem (naar Psalm 137).

Waarop de profeet Jeremia, achtergebleven in Jeruzalem, een brief schrijft aan de ballingen in Babel, wetende dat dit voorlopig het leven zou zijn: ‘Bouw huizen om in te wonen, leg tuinen aan om vruchten van te plukken, ga relaties en huwelijken aan en laat de kinderen komen, vindt vreugde in het leven, zo ben jij in beweging.’ En bidt voor de stad waar je met alles wat daarin is leeft! Want zo kom jij tot bloei, zo zul jij tot zegen zijn, want ook naar deze plaats ben je geleid door de hand van de Heer.

Wilden de ballingen dit horen? Hadden zij niet liever gehoord ‘dat er aan hun terugkeer wordt gewerkt?’ Of dat het een kwestie was van korte duur en even uitzingen? Nee, Jeremia sprak profetische woorden, zeggende ‘lieve mensen, dit gaat zomaar niet voorbij, we zullen ermee moeten leren leven, en daarom: bouw huizen, leg tuinen aan, sluit huwelijken en laat kinderen worden geboren. En bidt voor de stad waarin je bent. Want komt de stad tot bloei, dan bloeien ook jullie op’.

Kafarnaüm en Nazareth

Ja, Jeremia schreef goede woorden. Maar eigenlijk waren het woorden die de ballingen in Babel niet wilden horen. Zoals dat de Here Jezus ook overkwam. Ja, Jezus’ woorden, daar horen de mensen van op. Jezus’ genezingen, die oogsten bewondering. En Jezus’ zegeningen, ze zijn niet te tellen. En dan zou het zomaar kunnen zijn dat de Here Jezus in Nazareth als een ‘ereburger’ op handen zou worden gedragen. Jezus als de ‘trots van de stad’ want ‘Hij komt hier toch maar vandaan’. Een ‘held’ waarmee je gezien wilt worden, tot wiens kring je wilt behoren, waarmee je te koop kunt lopen. En het staat er niet bij maar wellicht heeft Jezus in Nazareth ook wel de woorden van Matteüs 5 vers 34 uitgesproken: van ‘Heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen’. De diepere laag van ‘bidden voor de stad’ waar je terecht bent gekomen!

Maar Jezus’ woorden willen in Nazareth niet landen. De plaatsgenoten van Jezus, ze kennen Hem als de timmerman, ze laten zich door Hem de les niet lezen! Zijn moeder en zijn broers en zijn zussen, die kennen zij van haver tot gort. Laten zij zich niets verbeelden! Ja, als je samen bent opgegroeid, dan raak je aan elkaar verwant, dan ken je elkaars verhalen, wat je met elkaar hebt beleefd. De mensen in Nazareth, ze hadden een beeld van Hem, geen standbeeld op een ereplaats, maar het beeld van de zoon van timmerman Jozef, en Jezus zelf ook timmerman, een gewone klusjesman. Maar wordt in Hem gezien dat Hij vooral de Zoon is van de hemelse Vader? Dat wie Hem ziet, dat dan de liefde van God wordt gezien? Sprekend de hemelse Vader? En dan staat er dat de Here Jezus slechts een enkeling kon genezen, tot zegen kon zijn voor de enkeling. Voor Jezus geen plaats in Nazareth, zoals er later ook geen plaats voor Hem zou zijn in Jeruzalem.

Met Jezus op weg

Maar lieve mensen, wanneer de Here Jezus de plaats wordt gegund wie Hij werkelijk is, dan zul je je gaan verwonderen en verbazen in wat Hij tot stand brengt, en hoe Hij inwerkt in de levens van mensen. Om het met de woorden van Jeremia te zeggen: wanneer er gebeden wordt voor de stad, voor de woonplaats, voor de omgeving waarin je leeft, dan gaan er dingen veranderen, beginnende bij onszelf!

Want bidden voor de stad wil zeggen dat je de mensen die er wonen voor de troon van de Here God brengt. Hemel en aarde worden met elkaar verbonden. En bidden voor de stad laat weten dat de mensen je aan het hart gaan, en dat je hun namen brengt voor het aangezicht van God. En bidden voor de stad laat de hemel neerdalen in de huizen en op de werkplekken en in de scholen. Waarmee het kruis van Jezus zich als het ware af gaat tekenen, een staande lijn die hemel en aarde met elkaar verbindt, en een liggende lijn die mensen met elkaar verbindt. ‘Bidt voor de stad want de bloei van de stad is jullie bloei’ schreef Jeremia. In de naam van Jezus op weg gaan, dat brengt verandering, brengt groei en bloei.

Ja, Adam en Eva verloren het paradijs. Maar in Jezus’ naam daalt het koninkrijk van de hemel weer op aarde. De torenbouwers van Babel kwamen terecht in een wereld vol misverstand. Maar samen in de Naam van Jezus leren mensen Gods liefde verstaan. Noach in zijn ark zat achter gesloten deuren. Maar bij Jezus zien we een poort wijd openstaan waardoor het licht komt stromen, en Hij staat aan onze deur en klopt. En Jozef zat in de put, maar Jezus is de diepste diepten ingegaan en brengt verloren mensen aan het licht. Geen andere Naam dan Jezus maakt wie in Hem geloven vrij. Mogen wij u aanmoedigen Hem met u en jou op weg te laten gaan? Geloof en weet het zeker, het zal zijn tot bloei van u en mij. In Jezus’ naam. Amen

Dit bericht heeft één reactie

Geef een antwoord

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Abonneren